Er was eens een arme herder, die maar een melkkoe en twee geiten bezat. Samen met zijn vrouw sloeg hij zich zo goed en zo kwaad als het ging door het leven, maar ze konden de eindjes niet aan elkaar knopen. De drie kinderen die zijn vrouw hem geschonken had, waren allen op zeer jeugdige leeftijd gestorven. De ouders waren zo langzamerhand over hun verdriet heen gekomen en hadden de hoop op een verdere kinderzegen opgegeven. Na enkele jaren schonk de vrouw echter, tegen alle verwachtingen in, midden in de winter het leven aan een jongen.

